Naar aanleiding van de algemene introductie voor de hele school – waarin de brief van de minister-president is voorgelezen en de ecozak (tas) is uitgedeeld – gaan de lessen in de groep van start. Bij deze lessen horen de spullen, die in de ecozak zitten.
De kinderen van de groepen 4 en 5 krijgen een zak (tas) mee, die gaat over het thema Mens. Hierin zitten materialen en opdrachten, die horen bij dit thema.

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Artikel

De lessen

Na een introductie volgen een negental opdrachten. En bij het onderdeel Afsluiting krijgt u suggesties voor de eindpresentatie.

Doelstelling

De leefwereld van leerlingen bestaat uit school, thuis en vrijetijdsomgeving. De lessen nemen deze wereld dan ook als uitgangspunt. Het beheren van de leefwereld vereist de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen en rechtvaardig te handelen. In de lessen wordt hier aandacht aan besteed. Er worden leerprocessen in gang gezet, die rekening houden met de lange termijn, zoals dit bij duurzame ontwikkeling de bedoeling is.
De uiteindelijke doelstelling van de lessen, die bij het deelthema Mens horen, is dat de kinderen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van zichzelf en van anderen. Ze leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.

Introductie

De introductie is bedoeld als overgang van de algemene introductie naar de opdrachten.

• Doel
Doel is: het stimuleren van de motivatie van de kinderen, door zingeving van het project en het thema.

• Benodigdheden
Voor de introductie hebt u nodig: een kopie van de brief van de minister-president.

• Werkwijze
U begint met een kringgesprek naar aanleiding van de brief van de minister-president. Hebben de kinderen de inhoud van de brief begrepen? Waarom moet er eigenlijk een minister komen?
Door het antwoord op deze laatste vraag gaan de kinderen inzien, dat een minister nodig is om ervoor te zorgen dat er wetten en regels opgesteld worden en dat die ook worden nageleefd.
Om tot dit inzicht te komen, kan het helpen om eerst samen te kijken hoeveel kinderen er in de klas zitten. Hoeveel kinderen zouden er dan in totaal op de hele school zitten? En hoeveel mensen wonen er in de stad of het dorp, waar de kinderen wonen? Hoeveel mensen wonen er in Nederland? Hoeveel in Europa? En hoeveel in de hele wereld? U benadrukt nog eens, dat dit dus heel veel mensen zijn en dat die allemaal met elkaar moeten samenleven op deze ene aarde.
En wat is belangrijk om ervoor te zorgen dat zo veel mensen samen met elkaar op deze wereld kunnen leven? Dat we rekening met elkaar houden en voor elkaar zorgen.
De minister wil ons daar dus bij gaan helpen. Maar omdat hij nog nieuw is, helpen wij hem een beetje op weg, door met dit project uit te zoeken wat nu precies belangrijk is, als het over het thema Mens gaat.

Negen opdrachten

De negen opdrachten bij het thema Mens zijn:

1 Zorgen voor jezelf: van baby naar nu.
2 Zorgen voor elkaar: elkaar beter leren kennen, elkaar meer leren waarderen (uiterlijke verschillen).
3 Zorgen voor elkaar: elkaar beter leren kennen, elkaar meer leren waarderen (innerlijke verschillen en/of overeenkomsten).
4 Zorgen voor elkaar: je eigen rol en die van je omgeving.
5 Zorgen voor elkaar: eerlijk delen.
6 Omgaan met elkaar: vroeger en nu.
7 Omgaan met elkaar: “beleefd en netjes” tegenover “ onbeleefd en niet netjes”.
8 Omgaan met elkaar: winnen en verliezen.
9 Introductie van de term “respect”.

Nota bene. Bij opdracht 3 hoort een vragenlijst. En bij opdracht 8 hoort een verhaal. Beide onderdelen zijn opgenomen in dit artikel.

Opbouw

U kunt ervoor kiezen om bepaalde opdrachten niet te doen. Wel is het belangrijk dat u de volgorde van de opdrachten aanhoudt. Er is bewust voor gekozen om de opbouw zo logisch mogelijk te maken: van zorgen voor jezelf via zorgen voor elkaar naar omgaan met elkaar, om zo uiteindelijk tot de introductie van de allesomvattende term respect te komen.
In de Afsluiting (aan het eind van dit artikel) vindt u tot slot een korte opsomming van de producten, die uit de diverse opdrachten zijn voortgekomen en die gebruikt kunnen worden voor de gezamenlijke eindpresentatie. Ook worden hier verschillende suggesties gegeven om het project af te sluiten.

Inhoud ecozak (tas)

Naast de brief van de minister-president zitten in de zak (tas) nog de volgende dingen, die nodig zijn tijdens de lessen van het project:

– Voor opdracht 1: een foto van een baby (idee: babyfoto van de leerkracht!) en/of babyfoto’s van de kinderen zelf.
– Voor opdracht 2: een rol behangselpapier. Eventueel een blinddoek. (Zie: Vervolgsuggesties bij de opdracht zelf.)
– Voor opdracht 3: vragenlijsten. Eventueel een complimentendoosje en/of voorgedrukte oorkondes. (Zie: Vervolgsuggesties bij de opdracht zelf.)
– Voor opdracht 5: foto van een goed gekleed kind, met veel speelgoed (bijvoorbeeld uit een krantje van de speelgoedwinkel) en een foto van een schaars gekleed kind, met weinig speelgoed (bijvoorbeeld uit informatiemateriaal over een ontwikkelingsland).
– Voor opdracht 6: foto van een jong persoon en een oud persoon.
– Voor opdracht 7: (kranten)berichtjes over netjes/beleefd gedrag of juist niet netjes/onbeleefd gedrag en/of een aantal kranten (bij voorkeur van verschillende dagen).
– Voor opdracht 8: kort verhaal.
– Voor opdracht 9: een (geplastificeerd) bord, met daarop in grote letters het woord RESPECT.

Met deze voorwerpen en materialen worden de negen opdrachten uitgevoerd, die hierna worden beschreven.

Opdracht 1: zorgen voor jezelf

Van baby naar nu.

Doel

Zorgen voor elkaar begint met zorgen voor jezelf. Maar wat kun je al zelf? En wat nog niet? En hoe kunnen we elkaar hierbij helpen? Om hier meer inzicht in te krijgen, wordt er een (kring)gesprek gehouden.

Werkwijze

• Voorafgaand aan de opdracht kunt u aan de kinderen vragen om een foto van zichzelf als baby mee te nemen van thuis. (Als er nog geen babyfoto van u in de ecozak zat, is het wenselijk dat u die foto alsnog meebrengt.) De babyfoto’s worden bekeken. De kinderen die willen, mogen wat bij hun foto vertellen.

• Daarna volgt een gesprek over zorgen voor jezelf, waarin u de volgende vragen kunt stellen:

– Kan een baby al voor zichzelf zorgen?
– Wie zorgt er dan voor een baby?
– Wat moet diegene allemaal doen?
– En jij? Wat kun jij nu al zelf?
– En wat kun je nog niet? Waar heb je nog hulp bij nodig?

U stuurt indien nodig, zodat zowel persoonlijke verzorging (bijvoorbeeld tandenpoetsen, haren wassen en kammen, aankleden en veters strikken) als zorg voor je omgeving (bed opmaken, kamer opruimen, afwassen, enzovoort) aan bod komt. Een slotvraag kan zijn: hoe kunnen we elkaar helpen bij de dingen die we nog niet kunnen?

• De verwerkingsopdracht hierbij is om de babyfoto op te plakken en daaromheen woorden of tekeningen te laten plaatsen, die horen bij de verzorging van een baby (bijvoorbeeld een flesje melk, speen, luier, enzovoort).
Als er weinig foto’s zijn, kan er voor gekozen worden om de verwerkingsopdracht gezamenlijk te doen. U plakt de foto’s dan zelf midden op een groot vel papier, hangt het op het bord en laat de kinderen er woorden bij bedenken, die u om de foto’s heen schrijft. De kinderen die dit willen, kunnen er dan later nog tekeningetjes bij maken.
Als er veel foto’s zijn, kunnen de kinderen hetzelfde doen, maar dan in groepjes. Ieder groepje krijgt dan één vel papier.

Opdracht 2: zorgen voor elkaar:

Elkaar beter leren kennen, elkaar meer leren waarderen (uiterlijke verschillen).

Doel

Met behulp van een gesprek en opdrachten ontwikkelen we opmerkzaamheid naar elkaar toe. Dit kan het gevoel van verantwoordelijkheid en zorg dragen voor elkaar vergroten.

Werkwijze

• Iedereen wordt gevraagd iets te bedenken, waarin hij/zij van de ander verschilt. U bekijkt welke verschillen uitnodigen tot een diepgaander gesprek. Bijvoorbeeld: wanneer een kind uit een ander land komt en/of een ander geloof heeft, kan ervoor gekozen worden het hier wat uitgebreider over te hebben, omdat hierin een belangrijk leermoment voor de kinderen besloten kan zijn.

• Hierna worden de kinderen uitgenodigd zichzelf op een rol behangselpapier te tekenen. Ze moeten hierbij goed letten op verschillen in lengte, kleur haar, kleur van de ogen, huidskleur, enzovoort. Het kan handig zijn het grootste (of het kleinste) kind als eerste te laten tekenen, zodat de andere kinderen hun tekening hierop kunnen afstemmen.

Vervolgsuggesties

• Raadspel 1
Laat de kinderen (willekeurig) in tweetallen met de rug tegen elkaar gaan staan, waarna ze om de beurt vragen aan elkaar mogen stellen. (Welke kleur trui/broek heb ik aan? Welke kleur ogen heb ik? Heb ik oorbellen/sproeten? Enzovoort.)

• Raadspel 2
Maak een kring en laat iedereen goed rondkijken. Dan doet iedereen de ogen dicht. U wijst een kind aan, dat even op de gang gaat staan. Daarna stelt u vragen als bij de voorgaande opdracht.

• Blindemannetje
Maak een kring en blinddoek iemand. Een ander kind uit de kring wordt voor het geblinddoekte kind gezet en raadt door te voelen wie het is. Als het geraden is, vraagt u hoe het geraden werd: waaraan voelde je het?
In het verlengde hiervan kan het leuk zijn om te vragen of je ook kunt merken of iemand aardig is of niet. Knoop hier een gesprekje aan vast over hoe je dat kunt weten, waaraan je dat kunt merken. Dit vormt meteen een mooie overgang naar de volgende opdracht.

Opdracht 3: zorgen voor elkaar:

Elkaar beter leren kennen, elkaar meer leren waarderen (innerlijke verschillen en/of overeenkomsten)

Doel

Om in de klas goed voor elkaar te zorgen, kan het helpen als je de ander beter kent, meer leert waarderen.

Werkwijze

• Maar hoe goed kennen de kinderen elkaar eigenlijk? Om hier meer zicht op te krijgen, vullen alle kinderen in de klas een vragenlijst in.

• De ingevulde vragenlijsten kunnen gebundeld worden tot een boekje. Dit boekje kan dan door de klas rouleren. Ook kunt u ervoor kiezen om kinderen uit het boekje voor te laten lezen. U kunt dit uiteraard ook zelf doen. Een ander idee is, om de kinderen die in het boekje gelezen hebben, te laten vertellen wat ze over een kind (of kinderen) te weten zijn gekomen. U kunt kinderen elkaar ook laten interviewen, om elkaar (nog) beter te leren kennen.

Vervolgsuggesties

• Complimentenronde
Ieder kind verzint een compliment voor het kind dat naast hem/haar zit.

• Complimentendoosje
Iedere dag wordt een lootje getrokken, met daarop de naam van een leerling uit de groep. Ieder kind schrijft die dag een compliment op voor deze leerling. De complimenten kunnen aan het eind van de dag door u worden voorgelezen.

• Rollenspel
U vraagt een kind voor de klas te komen, dat een mooi compliment voor iemand in de groep in zijn/haar hoofd heeft. (Dat kind is de gever.) Het kind voor wie het compliment bedoeld is, wordt uitgenodigd om dit compliment in ontvangst te nemen. (Dat kind is de ontvanger.) Als de gever en de ontvanger weer zitten, vraagt u aan de kinderen van de groep of ze hebben gezien wat dit compliment met beide kinderen deed: wat was de reactie op het geven en het krijgen van het compliment?

• Oorkondes
Ieder kind maakt voor een ander kind een oorkonde, waarop staat: Wat knap dat jij… Hier wordt een tekening bij gemaakt. De oorkondes kunnen dan bijvoorbeeld aan het eind van de dag gezamenlijk aan elkaar worden uitgereikt.

Vragenlijst bij opdracht 3

Hoe heet je?
En hoe oud ben je?
Wie wonen er bij jou in huis?
Vind jij je ouders streng?
Waarom wél?
Of waarom niet?
Wat is jouw beste karaktereigenschap?
Waarom vind je die het beste?
Waar ben je goed in?
(Je mag natuurlijk zo veel dingen invullen als je wilt!)
Wat wil jij later het liefst worden?

Opdracht 4: zorgen voor elkaar:

Je eigen rol en die van je omgeving.

Doel

Door middel van een gesprek wordt inzicht verkregen in de eigen inbreng in de zorg voor elkaar en die van een ander.

Werkwijze

• Bij dit gesprek kunnen de volgende vragen als leidraad dienen:
– Hoe zorgen we in de klas voor elkaar? Waarmee en hoe kunnen we elkaar helpen?
– Hoe zorgen jullie thuis voor elkaar? Voor wie of wat zorg jij en wat doe je dan precies?
– En je opa en oma? Zorgen die voor zichzelf of…? Kun jij ook iets voor ze doen? (Bijvoorbeeld: bij opa en oma op bezoek gaan, een tekening voor ze maken, enzovoort.)

• De verwerkingsopdracht is, dat de kinderen een mooi schilderij maken voor een zelfgekozen iemand, om te laten zien dat ze graag voor diegene (willen) zorgen. Als de verf gedroogd is, kunt u de kinderen er ook een lijst omheen laten maken. Bijvoorbeeld van propjes gekleurd crêpepapier of van stukjes gescheurd papier.

Opdracht 5: zorgen voor elkaar:

Eerlijk delen.

Doel

Bewustwording van het verschil tussen arm en rijk en het ontwikkelen van verantwoordelijkheid voor minderbedeelden, door middel van een gesprek en bijbehorende opdracht.

Werkwijze

• Vragen voor het gesprek zijn bijvoorbeeld:
– Wat heb je thuis allemaal voor speelgoed?
– Is er iets waar je niet meer mee speelt? Wat is dat dan? En zou je dat kunnen missen?
– Heeft iedereen zo veel om mee te spelen, denk je? Wie niet? (Bij deze laatste vraag kan eventueel een foto worden getoond van kinderen in ontwikkelingslanden.)

• De opdracht is, om iets mee te nemen wat je kunt missen en waar je een ander blij mee kunt maken. Omdat het voor de kinderen best heftig kan zijn om afscheid van hun eigen spullen te nemen, is het belangrijk dat u benadrukt dat dit niet moet, maar mag.
De meegenomen spullen worden verzameld in één doos (die eventueel door de kinderen zelf is versierd). U kijkt wat de mogelijkheden zijn om de spullen ergens naartoe te brengen. (Bijvoorbeeld naar een kringloopwinkel, spelotheek of Rotaryclub.) De doos kan dan samen met de kinderen daar naartoe worden gebracht.
Deze opdracht kan ook gedaan worden met kleding. De verzamelde kleding wordt in dit geval samen met de kinderen naar de kledingcontainer gebracht.
Wanneer een gesprek over de kringloopwinkel en/of kledingcontainer niet spontaan plaatsvindt, is het goed dat u hier aandacht aan besteedt voordat de kleding wordt weggebracht. Achteraf kan er dan nog even over worden doorgepraat. (Wat gebeurt er nu met jullie kleding? Waar gaat de kleding naartoe?)
Mocht dit mogelijk zijn, dan is het natuurlijk extra leuk als iemand van de wereldwinkel ter plekke iets over de winkel kan vertellen. U kunt hier uiteraard vooraf even naar informeren, door te bellen of alvast zelf even langs te gaan.
Voor de afsluiting/presentatie is het leuk als u tijdens de opdracht foto’s maakt van het verzamelen en wegbrengen van de spullen.

Opdracht 6: omgaan met elkaar:

Vroeger en nu.

Doel

Weten wat belangrijk is in de omgang met elkaar en wat hierin veranderd is in de loop van de tijd.

Werkwijze

• In de ecozak (tas) zit een foto/afbeelding van een jong persoon en een oud persoon. U stelt vragen als:

– Hoe ga je om met een ouder persoon?
– In hoeverre verschillen deze omgangregels met die van een jonger persoon?

En dan komen die verschillen expliciet aan de orde:

– Hoe spreek je iemand aan: met je of met u? Zeg je hoi of zeg je goedendag? Enzovoort.
– Wat doe je als een jonger en een ouder persoon een volle bus (tram, trein) binnenkomen?
– Waarom doe je dat eigenlijk? En (waarom) is het belangrijk?
– En wat zouden oude mensen hier zélf eigenlijk van vinden?

• Om achter het antwoord van de laatste vraag te komen, kan een vragenlijst (zie: Vervolgsuggesties) opgesteld worden, die de kinderen aan hun opa(‘s) en/of oma(‘s) uitdelen om in te vullen. Later kan naar aanleiding van alle vragenlijsten een inventarisatie plaatsvinden. Het is het leukst als de kinderen de vragenlijst samen opstellen, zodat ze op een bewuster niveau met de inhoud van de vragen bezig zijn.

• De inventarisatielijst kan voor de presentatie/tentoonstelling gebruikt worden. En mogelijk kan de lijst ook worden “afgezet” tegen wat de kinderen nu vinden over omgangsregels. Welke omgangsregels vinden zij nog belangrijk om aan te houden? Welke niet (meer)? Hierover kan met de kinderen gesproken worden naar aanleiding van de vragenlijsten/inventarisatielijst.
Indien mogelijk wordt er ook een opa of oma uitgenodigd, om te komen vertellen over het verschil tussen de mensen van vroeger en nu naar oudere mensen toe en/of in het algemeen. In dit geval zou het leuk zijn als u dit op camera zou kunnen vastleggen, zodat er op de presentatie een stukje film aan de school getoond kan worden.
U stuurt (indien nodig) zó, dat de kinderen vooral een algemeen idee krijgen over goede omgangsvormen. Dat beleefdheid tot uitdrukking komt in je houding, je gedrag en je woordgebruik.

Vervolgsuggesties

• Vragenlijst
Het is leuk als de vragen, die de kinderen bij opdracht 3 (zie hiervoor) zelf beantwoord hebben, óók opgenomen worden in de vragenlijst voor de opa’s en oma’s. Andere vragen kunnen bijvoorbeeld zijn:

– Wat is volgens u belangrijk om goed met elkaar om te gaan?
– Doen mensen dat nog genoeg?
– Maakt het nog uit in welk land je bent?
– Was het vroeger anders?
– Wat was er dan anders?
– En als dingen nu anders zijn, hoe komt dat dan, denkt u?
– Wat zouden we kunnen doen om het beter te maken?
– Zijn kinderen wel beleefd en aardig genoeg?
– En volwassenen?
– Hebt u tips voor hen?

• Toneelstukje
De kinderen die dit leuk vinden, kunnen aan de hand van deze opdracht een toneelstukje inoefenen, dat aan de klas – en op de eindpresentatie aan de hele school – getoond kan worden.
Voorbeeld. De besproken situatie met een volle bus wordt uitgespeeld. Een kind speelt een oude vrouw (of man), die de volle bus (allemaal bezette stoelen achter elkaar) binnenkomt. Eerst zegt een kind dat zit netjes: “Goedemorgen,” waarna hij/zij opstaat en zegt: “Gaat u hier maar zitten, hoor.” De oudere bedankt glimlachend en gaat zitten.

Opdracht 7: omgaan met elkaar:

Beleefd en netjes” tegenover “onbeleefd en niet netjes”.

Doel

Doel is om te leren wat (nog) kan en wat niet meer kan.

Werkwijze

• De (kranten)berichtjes in de ecozak (tas) kunnen gebruikt worden om gezamenlijk (of eerst in groepjes) over grenzen te praten. Wat kan (nog of juist) wél? (Dus: wat is beleefd/netjes?) En wat kan écht niet? (Dus: wat is onbeleefd/niet netjes?) Kinderen zullen vast ook met eigen voorbeelden komen. Of u kunt dit stimuleren met vragen als: “Zien jullie wel eens dingen op straat of bij anderen thuis (enzovoort), waarvan jullie vinden dat het écht te ver gaat?”

• Dit soort vragen kunnen ook leiden tot nader onderzoek door de kinderen. Bijvoorbeeld met behulp van de kranten, die ook in de ecozak (tas) zitten. Eventueel kunnen ze ook meteen zelf op zoek gaan naar voorbeelden van “netjes en beleefd gedrag” of “niet netjes en onbeleefd gedrag”. Wel is het dan belangrijk om eerst ook ruimte te bieden aan eigen ervaringen hiermee.
De kranten uit de ecozak (tas) worden gebruikt om de kinderen in groepjes voorbeelden (artikelen en/of foto’s) te laten zoeken en uitknippen van “netjes en beleefd gedrag” tegenover “niet netjes en onbeleefd gedrag”. De gevonden voorbeelden kunnen over twee grote vellen papier verdeeld worden. Op het ene vel papier komen de voorbeelden van “netjes en beleefd gedrag” en op het andere vel papier het tegenovergestelde gedrag. Het is het handigst, als de groepjes om de beurt de verzamelde voorbeelden op het ene of op het andere vel papier plakken. De twee vellen papier kunnen daarna weer op de tentoonstelling/presentatie gebruikt worden. Maar ze kunnen natuurlijk ook aanleiding vormen om er eerst nog even verder over te praten.

Opdracht 8: omgaan met elkaar:

Winnen en verliezen.

Doel

Doel is te leren hoe je ondanks de situatie tóch netjes en beleefd kunt blijven.

Werkwijze

• We weten nu hoe je voor elkaar kunt zorgen en netjes en beleefd met elkaar kunt omgaan. Toch is het zo, dat dit goede gedrag – bijvoorbeeld op het sportveld – soms ineens ver te zoeken is. Zeker als er iets te winnen of te verliezen is.
U leest het verhaal voor uit de ecozak (tas),dat het bovenstaande illustreert. En u bespreekt de bijbehorende vragen. De kinderen vertellen hierna over hun eigen ervaringen hiermee. U ondersteunt zo nodig met vragen als:

– Heb je zelf zoiets wel eens meegemaakt?
– Wat deed jij?
– Wat deed de ander?
– Wat vond je daarvan?
– Hoe had dit anders gekund?

Verhaal “Ruzie op het voetbalveld”
Open het kopieerblad met het verhaal door op de link in de lijst bovenaan het artikel te klikken. U kunt het pdf-bestand vervolgens afdrukken en/of opslaan op uw computer.

• U zorgt ervoor dat er naar de vraag toegewerkt wordt hoe je netjes met winnen en verliezen kunt omgaan. Dat spelregels en sportief gedrag hier de oplossing voor zijn. Wat zijn voorbeelden van sportief gedrag? Wat doe je bijvoorbeeld altijd na tennis en judo, als de wedstrijd afgelopen is? (Een hand geven.) Zouden wij dit ook kunnen doen? En wat zeg je tegen de ander als je wint? (Bijvoorbeeld: “Jammer voor je dat je verloren hebt.”) En als je verliest? (Dan zeg je bijvoorbeeld: “Jammer dat ik verloren heb. Maar gefeliciteerd!”)
In een toneelstukje of een rollenspel kan dit geoefend worden. Hiervoor kan het verhaal als leidraad worden gebruikt, dat is opgenomen achteraan in dit artikel.

Opdracht 9: Introductie van de term “respect”

Doel

In deze afsluitende opdracht praat u met de kinderen over wat ze allemaal geleerd hebben over het thema Mens. Daarna toont u het bord (met daarop het woord RESPECT) uit de ecozak (tas) en legt u uit dat deze term eigenlijk alles omvat waarover de lessen gingen.

Werkwijze

• Nu mogen de kinderen aan de slag om een logo te ontwerpen, waarin het thema (en wat ze hierover geleerd hebben) zo duidelijk mogelijk naar voren komt.

• Ook schrijft ieder kind – aan de hand van wat hij/zij tijdens het project te weten is gekomen – een advies/voorstel aan de minister. (Waar moet de minister aan denken als hij/zij met de werkterm Mens aan de slag gaat? Welke tips hebben de kinderen voor hem/haar? Het is ook leuk om een filmpje voor de minister te maken, als dat mogelijk is. Indien de activiteiten van de kinderen in de loop van het project op film zijn vastgelegd, dan kan dit het slotfilmpje zijn.)

Vervolgsuggestie

Vooral in de laatste week, als de kinderen al veel over het thema gewerkt en geleerd hebben, is het leuk om de kinderen aan te sporen (als ze er zélf al niet mee komen!) om verhalen, gedichten en/of liedjes over het thema te schrijven.

Afsluiting

Wandfries

In de loop van het project hebben de kinderen van alles geproduceerd. Dit zijn – in volgorde van de bijbehorende opdrachten – de volgende producten:

– De babyfoto met woordveld (of meerdere babyfoto’s met woordvelden, als u met groepjes gewerkt hebt).
– Het behangselpapier, waarop de kinderen zichzelf getekend hebben.
– Het klassenboekje (de bundeling van de vragenlijsten bij opdracht 3) en eventueel complimentenbriefjes en/of oorkondes.
– Schilderijen.
– Foto’s van het verzamelen en wegbrengen van speelgoed en/of kleding.
– Vragenlijsten van opa’s en oma’s en eventueel de film van het bezoek aan de klas.
– Een vel papier, met daarop artikelen en/of foto’s, die netjes en beleefd gedrag illustreren en een vel papier, waarop het tegenovergestelde geïllustreerd is.

Kortom: het is heel wat. Dit alles wordt als een wandfries (de geschiedenis van de eigen activiteiten) in chronologische volgorde in het lokaal opgesteld en/of opgehangen. Het geeft de kinderen – en ook de anderen die later komen kijken – een overzicht van de voortgang.

Vervolgsuggesties voor de eindpresentatie van groep 4-5

• Landenkraampjes
In de klas kunnen kraampjes worden neergezet, die ieder voor zich een land vertegenwoordigen. Dit is vooral leuk als er kinderen uit een ander land (of andere landen) in de groep zitten. De kinderen uit een bepaald land kunnen hun kraampje zelf aankleden. Bijvoorbeeld met papier in de kleur van het land, een (zelfgemaakte) vlag, dingen die typisch zijn voor het land, een boek over het land, enzovoort.
De kinderen nemen voor de eindpresentatie gerechten mee van thuis, die typisch zijn voor het land. Bezoekers kunnen die gerechten dan proeven. Indien dit organisatorisch onmogelijk is, staan er in elk geval twee kinderen uit het land in de kraam, om vragen over het gerecht of over hun land te beantwoorden.

• Thematische kraampjes
Als er geen of weinig kinderen uit een ander land (of andere landen) in de groep zitten, is het wellicht een mogelijkheid om de kraampjes in te richten aan de hand van (een aantal) onderwerpen van het wandfries. Bijvoorbeeld een kraampje Complimenten geven, waar twee kinderen zitten, die je “gratis” een compliment geven als je langskomt. Of een kraampje Jong en oud, waar een kind met zijn/haar opa of oma in staat, om vragen van bezoekers te beantwoorden over het omgaan met elkaar vroeger en nu. Het bord, met daarop het woord RESPECT, kan ook in een kraampje opgehangen worden. In dit kraampje staan dan twee kinderen, die vragen hierover beantwoorden.

• Verhalen, gedichten, spreuken, citaten, liedjes
De verhalen, gedichten, spreuken en/of citaten die geschreven zijn, kunnen natuurlijk ook tentoongesteld worden. Ze kunnen aan het wandfries toegevoegd worden of in een kraampje worden opgehangen en/of neergelegd. Maar het zou natuurlijk het mooist zijn als alle taaluitingen in een presentatie voorgedragen konden worden. Als het er veel zijn, kan uiteraard altijd een selectie gemaakt worden. En mochten er ook liedjes zijn gemaakt, dan moeten die natuurlijk ook een plekje in de presentatie krijgen.

• Toneelstukjes
De kinderen die dit leuk vinden, kunnen de toneelstukjes, die tijdens het project zijn uitgespeeld (zie opdracht 6 en opdracht 8) verder inoefenen, om ze vervolgens tijdens de presentatie aan de school en/of de ouders te laten zien.

• Film
Als er tijdens het project gefilmd is, dan kan het eindresultaat hiervan ook getoond worden.

• Advies aan de minister
Het advies aan de minister kan getoond of voorgedragen worden tijdens de presentatie.

Ik wens u en de kinderen veel plezier en succes bij de uitvoering van dit project!