Naar aanleiding van de algemene introductie voor de hele school – waarin de brief van de minister-president is voorgelezen en de ecozak (tas) is uitgedeeld – gaan de lessen in de groep van start. Bij deze lessen horen de spullen, die in de ecozak zitten.
De kinderen van de groepen 1, 2 en 3 krijgen een zak (tas) mee, die gaat over het thema Aarde. Hierin zitten materialen en opdrachten, die horen bij dit thema.

De lessen

Na een introductie volgen een tiental opdrachten. U bepaalt zelf welke opdrachten er gedaan worden en in welke volgorde. Bij het onderdeel Eindpresentatie krijgt u suggesties om het project af te sluiten.

Doelstelling

Er zal eerst gekeken moeten worden of de kinderen begrijpen wat er bedoeld wordt met het woord aarde. Daarbij zal in plaats van aarde ook vaak het woord natuur gebruikt kunnen worden. Het ontdekken en ervaren dat de aarde mooi en bijzonder is, is het eerste doel. Van hieruit kan de volgende stap gemaakt worden.
Als iets mooi is, dan wil je dat graag mooi houden. Dan moet je er dus goed voor zorgen. Kinderen doen dat – net als volwassenen – vaak niet vanzelf. Dat moet aangeleerd worden. Maar ze willen er graag hun best voor doen, als ze het doel (zorgen voor een mooie aarde) duidelijk voor zich zien. We willen ze graag leren om bewust en verantwoord om te gaan met hun omgeving. Dat klinkt misschien nogal hoogdravend en niet realistisch, als het om jonge kinderen gaat. Maar het is zeker mogelijk om de basis te leggen voor een positieve houding ten opzichte van de aarde, waarop ze leven.
In de lesideeën, die beschreven zijn in dit artikel, staan verschillende manieren om daarmee met jonge kinderen aan de slag te gaan. Ze ervaren zo, dat ze zelf iets kunnen doen om te zorgen dat de aarde mooi blijft. Tenslotte zien ze ook, dat niet alleen kinderen op dit gebied bezig zijn om te leren, maar dat ook volwassenen nog veel kunnen verbeteren aan hun manier van omgaan met de aarde. Dit zal de kinderen stimuleren om hun positieve houding ook naar buiten toe uit te dragen.

Introductie

ls de kinderen de brief van de minister-president hebben gezien en gehoord, zal er eerst een oriënterend gesprek plaatsvinden. Neem de brief mee de klas in, zodat u die met de kinderen nog eens rustig kunt bekijken en bespreken. Weten de kinderen wat een minister-president is? Misschien weten ze zijn naam wel. Weten ze ook wat hij doet? Voor wie is die lege stoel, die bovenaan op de brief staat? En… wat wordt er eigenlijk aan ons gevraagd in de brief?
Nota bene. De drie brieven van de minister-president, die tijdens dit project aan bod komen, zijn opgenomen in de internetuitbreiding Het ministerie van Aarde, Mens & Winst, zodat u ze eenvoudig kunt downloaden en vermenigvuldigen voor uw groep. (Zie ook het bladartikel: Handleiding.)
De nieuwe minister moet natuurlijk weten wat hij moet gaan doen, om goed voor de aarde te kunnen zorgen. Daar gaan de kinderen hem bij helpen. In de zak (tas) zitten vragen en opdrachten, waar de kinderen antwoord op moeten zien te vinden door middel van onderzoek.
Voordat u de tas openmaakt, geeft u de kinderen eerst de gelegenheid om zelf te bedenken wat de minister zou moeten doen. Dit kunt u bijvoorbeeld op de volgende manier doen:
– Zet een deftige stoel in de kring. Dit is de lege ministerstoel.
– Een minister is erg belangrijk in ons land. Hoe loopt een minister? Hoe praat een minister? Hoe zit een minister op zijn stoel?
– Als de kinderen dat bedacht en uitgebeeld hebben, stelt u de vraag: wat moet een minister van de afdeling Aarde doen, zodat de aarde mooi blijft? Als een kind een antwoord op die vraag heeft, mag hij/zij op de deftige stoel gaan zitten en het als een echte minister aan de rest van de groep vertellen. U kunt de minister zo deftig maken als u zelf wilt. Een stropdas en een colbertje zorgen ervoor dat kinderen zich heel bijzonder gaan voelen als ze op de stoel zitten.
– U schrijft de ideeën van de kinderen op het bord en bespreekt ze eventueel later met ze. Neem de ideeën serieus en probeer de kinderen zo veel mogelijk te laten nadenken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van bepaalde ideeën. Het werkt erg motiverend, als u de zelfbedachte ideeën gebruikt in de lessen tijdens het project.

Inhoud ecozak (tas)

In de zak (tas) zitten de volgende dingen, die nodig zijn tijdens de lessen van het project:

– een natuurtijdschrift;
– een doosje, met een mooie steen erin (of iets anders uit de natuur);
– een loepje (of een loeppotje);
– een zakje met zaad;
– een eenvoudige (digitale) camera;
– tuinhandschoenen;
– een lege vuilniszak;
– verschillend (kosteloos) knutselmateriaal;
– een microfoon (een echte of een speelgoedmicrofoon);
– een deel van het logo.
Met deze voorwerpen en materialen worden tien opdrachten uitgevoerd, die hierna worden beschreven.

1 Wat is natuur?

Opdracht met een natuurtijdschrift

• Werkwijze
Om erachter te komen welk beeld de kinderen hebben bij de woorden natuur en aarde gaan ze knippend en plakkend aan de slag. Vooraf hebt u verschillende tijdschriften op tafel gelegd, waarin de kinderen mogen knippen. Zorg dat er voldoende variatie is in het aanbod, zodat de kinderen echt moeten nadenken en kiezen.
Het doel van deze opdracht is vooral, dat de kinderen onderling én met u in gesprek raken over de woorden natuur en aarde. Als dit gesprek niet vanzelf ontstaat, kunt u vragen stellen, om het gesprek op gang te helpen. Waarom heb je dit plaatje uitgeknipt? Kun je uitleggen waarom je vindt dat dit bij “natuur” of “aarde” hoort? Op deze manier denken kinderen na over de plaatjes, die ze uitknippen. Hoort een appel bij “natuur”? En een telefoon? En een mens? Laat de kinderen ook argumenten aandragen waarom iets wel of niet bij “natuur” hoort.
De uitgeknipte plaatjes kunnen op een groot (groen) vel papier worden geplakt. U kunt ook een lange strook behangselpapier nemen en daar een stuk natuur laten ontstaan, door alle uitgeknipte plaatjes op een logische plek op te plakken. Bijvoorbeeld: vogels in de lucht, een egel op de grond en steentjes langs het water. Bij het uitzoeken van een goede plek voor een plaatje kunnen de kinderen met elkaar overleggen. Hierdoor zal een steeds duidelijker beeld ontstaan van wat de woorden natuur en aarde inhouden.

• Presentatie in de klas
Natuurlijk bedenken de kinderen een mooie titel, die bovenaan op het grote vel papier komt te staan. Eventueel kunnen de kinderen woorden en/of korte zinnen bij de plaatjes schrijven, om het voor de anderen duidelijker te maken. Tot slot hangt u het resultaat op in de klas.

2 Natuur is mooi!

Opdracht met een doosje, met een mooie steen erin (of iets anders uit de natuur)

• Werkwijze
Het doel van deze activiteit is om de kinderen bewust te maken van de schoonheid van de natuur. Het bijzondere van de materialen uit de natuur wordt hierbij nog eens extra benadrukt. Kinderen vinden het heerlijk om mooie dingen te verzamelen.
Maak in de klas een tentoonstelling van alle mooie dingen uit de natuur, die de kinderen meenemen naar school. De aankleding van de tentoonstelling is erg belangrijk. Natuurlijk kunt u de kinderen hierover laten meedenken. Een paar suggesties:
– Gebruik kleine, fluwelen lapjes stof om de schatten op te leggen. Dan wordt een gewone steen ineens heel bijzonder.
– Zoek op zolder of u nog een letterbak van vroeger hebt, die gebruikt kan worden voor het tentoonstellen van de vondsten. Of vraag er eentje aan de ouders.
– Creëer een stukje bos (met mos en takjes) en een stukje strand, zodat de kinderen hun gevonden schatten op de juiste plekken kunnen neerleggen.

• Presentatie in de klas
De tentoonstelling kunt u gedurende het hele project laten staan. U zult zien dat er steeds nieuwe dingen aan zullen worden toegevoegd.

3 De aarde

Opdracht met een loepje (of een loeppotje)

• Werkwijze
Bij deze les ontdekken de kinderen meer over het leven in de grond. Bedoeld wordt: een stukje natuur, dat niet direct zichtbaar is. Maar ook het leven in de grond hoort bij de natuur en bij de aarde.
Als de loep uit de tas gehaald wordt, volgt er een gesprek over het voorwerp (de loep). Wat is dit? Wat kun je ermee doen? Kunnen we dit voorwerp ook gebruiken als we meer willen weten over de aarde?
Aan het eind van het gesprek gaat u met de kinderen naar buiten om de aarde (grond) te bekijken. Op de grond is van alles te zien. Maar in de grond ook. Hiervoor kunt u een grote schep aarde omdraaien. Als u vlak bij uw school hiervoor geen geschikte plek hebt óf als u het organisatorisch niet zo handig vindt om met de kinderen naar buiten te gaan, dan kunt u ook een grote schep aarde in een bak doen en die mee naar binnen nemen. De kinderen kunnen dan aan tafel de grond bekijken.
Met de loep (het liefst krijgt elk kind een eigen loep!) ontdekken de kinderen hoe de grond eruitziet en wat er allemaal in leeft. Er zijn allerlei zoekkaarten en boekjes te gebruiken, waarmee precies kan worden bekeken hoe bijvoorbeeld gevonden beestjes heten.
Kleine diertjes zitten graag in vochtige, donkere hoekjes, bijvoorbeeld onder een grote steen of bloempot. De meeste kans op actieve beestjes in de grond hebt u als die grond vochtig en warm is. U kunt deze activiteit dan ook prima in het voorjaar of najaar doen.
Extra materialen die u kunt gebruiken, zijn: een glazen plaatje (zodat dieren van boven en van onderen bekeken kunnen worden), zoekkaarten (uitgegeven door het IVN), kleine schepjes, stokjes of lepeltjes. Als u de beschikking hebt over een microscoop of een binoculair, dan kunt u die natuurlijk ook gebruiken. Hiermee zijn bodemdiertjes nóg veel beter te bekijken. Maar… ook een klein korreltje zand ziet er prachtig uit onder een microscoop!
Nota bene. Zie in dit verband ook het artikel Schaduwbeestjes in het zonnetje (van Maarten de Jongh), dat is opgenomen in Praxisbulletin, 25ste jaargang, nummer 8 (april 2008). En natuurlijk zet u aan het eind van de les samen met de kinderen alle diertjes weer buiten, op de plek waar ze gevonden zijn.
Nota bene. Voor meer suggesties zoekt u in het archief van deze site, met de zoekterm: kriebelbeestjes. U vindt dan nog een aantal leuke lessen rondom dit onderwerp.

• Presentatie in de klas
Voor de presentatie in de klas kunt u samen met de kinderen een grafiek maken. Zorg dat u gekopieerde plaatjes van bodemdiertjes klaar hebt liggen. Neem een groot vel papier, waarop de plaatjes onderaan naast elkaar worden geplakt. U kunt de namen van de bodemdiertjes erbij schrijven.
De kinderen zoeken de diertjes en ontdekken hoe ze heten. Als ze de naam van een gevonden diertje weten, dan mogen ze in de grafiek, boven het betreffende plaatje, een kruisje zetten (of een plakkertje plakken). Zo is aan het eind duidelijk te zien welke dieren gevonden zijn. De kinderen kunnen nu ook bepalen welke dieren er het meest voorkwamen in de grond en welke maar heel weinig. Tot slot komt de grafiek aan de muur te hangen. (Zie: figuur 1.)
Nota bene. Als er wormen zijn gevonden, kunt u ook tijdelijk een wormenbak in de klas zetten. In een wormenbak is duidelijk te zien hoe wormen hun gangen graven in de grond. De bak is te leen bij het IVN. Daar kan men u hierover ook meer informatie geven. Maar natuurlijk kunt u ook een oud aquarium gebruiken als wormenbak!
27-05-08-01
Figuur 1. Voorbeeld van een grafiek.

4 Wat groeit er in de aarde?

Opdracht met een zakje met zaad

• Werkwijze
Uit de tas haalt u een zakje met zaad. Op de buitenkant van zo’n zakje staat meestal een plaatje van de plant, die uit de zaadjes zal groeien. U laat het zakje goed bekijken. En daarbij kunnen vragen worden gesteld. Wat denk je dat hierin zit? Hoe zien de zaadjes eruit? Wat gebeurt er met een zaadje? Gaat dat helemaal vanzelf? Wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat er iets uit het zaadje kan groeien? Enzovoort.
Daarna gaat u aan de slag. De zaadjes worden gezaaid. Elke dag gaat u natuurlijk met de kinderen kijken wat er gebeurt. De kinderen kunnen dit op verschillende manieren op papier vastleggen. Ze maken bijvoorbeeld tekeningetjes van het plantje en maken daar een soort groeiboekje van. Een andere mogelijkheid is dat er elke dag een (digitale) foto wordt gemaakt. En ook kunt u ervoor kiezen om het plantje elke dag op te meten en de resultaten daarvan op te schrijven.
Als u de beschikking hebt over een schooltuin, dan kunt u de kinderen laten zien, dat groenten ook uit zaadjes kunnen groeien. Radijsjes en worteltjes zijn eenvoudige voorbeelden. Binnen kunt u tuinkers zaaien en na een paar dagen al eten. Samen met de kinderen zijn er vast nog veel meer soorten zaden te vinden, die gezaaid kunnen worden. Probeer het maar eens met de pitjes uit de appel of met een eikeltje van de herfsttafel.

• Presentatie in de klas
In de klas staan de potjes met de groeiende plantjes op een centrale plek. Laat door een etiket of door een plantensteker duidelijk zien wat er in de potjes zit. Het groeiboekje en/of de gemaakte foto’s komen erbij te liggen.

5 Opgeruimd staat netjes!

Opdracht met een eenvoudige (digitale) camera

• Werkwijze
Bij deze activiteit leren de kinderen, dat het belangrijk is om de omgeving waarin je leeft schoon en opgeruimd te houden. Dan is het prettiger voor mens, dier en plant om in die omgeving te leven.
Na het knutselen of het spelen in hoeken roept u de kinderen bij elkaar. U geeft ze de opdracht goed om zich heen te kijken in de klas. Stel daarna de vraag: wat vind je ervan als we vandaag eens niet opruimen?
De reacties zullen heel verschillend zijn. Praat erover door met de kinderen. Waarom kan het wél? Of waarom kan het niet? Uiteindelijk zal de conclusie moeten zijn, dat rommel opruimen belangrijk is. Als rommel niet opgeruimd wordt, komt er steeds meer rommel. Dan is er bijna geen plek meer om te lopen, te spelen of andere dingen te doen en kun je na een tijdje bijna niets meer terugvinden.
In de natuur is dit ook zo. Als er veel (niet natuurlijke) rommel in de natuur aanwezig is, dan is dat geen prettige plek voor dieren, planten en mensen om te leven. Rommel, afval moet worden opgeruimd! Afval hoort in de prullenbak!
De kinderen gaan foto’s maken, die laten zien hoe het niet hoort én hoe het wel hoort. U kunt hiervoor een eenvoudige (digitale) camera gebruiken. De kinderen maken bijvoorbeeld eerst een foto van de poppenhoek voordat die is opgeruimd en daarna een foto van de opgeruimde poppenhoek. Ze maken een foto van de tuin vóór het opruimen van alle papiertjes en daarna een foto van een mooie, schone tuin. Enzovoort.
U kunt opdracht 5 op deze manier prima combineren met de opdracht Houd de aarde schoon! (opdracht 6).

• Presentatie in de klas
De gemaakte foto’s kunnen natuurlijk opgehangen worden. Gewoon op het prikbord of bij de plek die op de foto staat (bijvoorbeeld de poppenhoek). Dit stimuleert ook nog eens om netjes op te ruimen!
Als u niet alleen vóór en na het opruimen een foto laat maken, maar ook tijdens het proces, dan kunt u de foto’s later ook als taalactiviteit gebruiken. Het wordt dan een verhaaltje, dat de kinderen in de goede volgorde moeten neerleggen. Ter ondersteuning vertellen ze dan wat er op de foto’s te zien is en wat er gebeurt.

6 Houd de aarde schoon!

Opdracht met tuinhandschoenen

• Werkwijze
De aarde is mooi. Maar als we er niet goed voor zorgen, dan blijft die aarde niet mooi! Er ligt vaak veel rommel in de natuur, die daar niet hoort. Planten kunnen niet goed groeien en dieren kunnen niet fijn leven tussen al die rommel. Daarom gaan de kinderen de rommel opruimen en de natuur weer mooier maken.
Kies een gebied, waar u met uw groep aan het werk wilt gaan. Dit kan het schoolplein zijn, maar ook de speeltuin in de wijk, het park om de hoek of een stukje bos aan het eind van de straat.
In de zak (tas) zitten tuinhandschoenen. En als u op school papierprikkers of afvalgrijpers hebt, kunt u die natuurlijk ook gebruiken. De kinderen vinden het geweldig. En ondertussen oefenen ze ook nog hun motoriek. Neem ook emmers en vuilniszakken mee, om alle rommel in te doen.
Als u terugkomt in de klas, kunt u in de kring bespreken wat er allemaal gevonden is. Is het wel allemaal afval? Hoe komt het buiten in de natuur terecht? Gooi je zelf ook wel eens zomaar iets weg in de natuur? Waarom doe je dat? Hoe kun je het anders doen?

• Presentatie in de klas
Van het afval dat gevonden is, kunnen de kinderen een afvalberg maken, door alles op een groot stuk karton boven op elkaar vast te plakken. Een andere mogelijkheid is om er een soort collage van te maken. Alles wordt dan mooi opgeplakt op een groot vel papier. Zorg er wel voor, dat alleen droge stukken afval gebruikt worden. Want het is niet echt prettig om bijvoorbeeld een bananenschil of rottend fruit dagenlang in de klas te hebben!

7 Afval: waar hoort het?

Opdracht met een lege vuilniszak

• Werkwijze
Het doel van deze les is, dat kinderen zich bewust worden van wat er allemaal weggegooid wordt. Ze leren dat veel dingen nog hergebruikt kunnen worden. Door actief bezig te zijn met afval leren ze om hierover goed na te denken en verantwoorde keuzes te maken.
Afval moet opgeruimd worden. Maar hoort al het afval wel in de prullenbak? Houd hierover een gesprek met de kinderen. Als er niet voldoende informatie uit de kinderen komt, vertelt u ze dat sommige dingen niet in de prullenbak hoeven, omdat er nog iets van gemaakt kan worden of dat het op een andere manier gebruikt kan worden. Voorbeelden hiervan zijn: gft-afval, papierrecycling en lege batterijen. Hoe meer we kunnen recyclen, hoe beter het is. Dus: hoe minder “gewoon” afval we produceren, hoe beter! Als de kinderen met vragen komen over het recyclen van afval, dan kunt u zelf het best inschatten hoeveel en welke informatie u ze daarover kunt geven. Wellicht komt er ook informatie bij de kinderen zelf vandaan.
Een paar dagen voordat u deze les gaat geven, weegt u samen met de kinderen aan het eind van elke dag de vuilniszak, die in de prullenbak hangt. De gegevens van deze weegactiviteit schrijft u steeds op.
Daarna wordt de lege vuilniszak uit de zak (tas) in de prullenbak gehangen. Gedurende een paar dagen wordt er niets meer zomaar weggegooid. Steeds vragen de kinderen zich af waar iets thuishoort. Is het papier? Moet het bij het gft-afval? Aan het eind van de dag weegt u telkens weer de vuilniszak. Bespreek samen met de kinderen de resultaten. Heeft het geholpen? Zit er minder in?
Als u nog een stapje verder wilt gaan, kunt u samen met de kinderen nadenken over manieren om ervoor te zorgen dat er nóg minder wordt weggegooid in de klas. Is er een alternatief voor een koekje met een papiertje eromheen? Wat gebeurt er met alle papierresten na het knutselen? Enzovoort. De kinderen én u leren zo bewust na te denken over hun afval.

• Presentatie in de klas
Tijdens deze activiteit is dagelijks de vuilniszak gewogen. Het lijstje met gegevens wordt opgehangen in de klas. De conclusie die getrokken is en de goede ideeën om nóg minder afval te produceren worden ook opgeschreven en getoond.

8 Wat maak je me nou?

Opdracht met verschillend (kosteloos) knutselmateriaal

• Werkwijze
Bij opdracht 7 (Afval: waar hoort het?) hebben de kinderen geleerd dat afval nog vaak hergebruikt kan worden. Bij deze opdracht (opdracht 8) ervaren de kinderen het zélf. Ze gebruiken materiaal, dat normaal gesproken weggegooid zou worden nu voor een ander doeleinde.
U haalt uit de zak (tas) bijvoorbeeld een bolletje voor wasmiddel. Er mag niets gezegd worden. De kinderen kijken alleen. Dan geeft u de kinderen de opdracht om te bedenken waarvoor ze dat bolletje zouden willen gebruiken of wat ze ermee zouden willen maken. Geef genoeg bedenktijd. Niet alle kinderen kunnen verder kijken dan de oorspronkelijke bedoelingen van een voorwerp. Maar door op deze manier klassikaal te oefenen en ideeën te laten horen, raken de kinderen er meer mee vertrouwd.
Daarna gaan de kinderen aan het werk met verschillende soorten kosteloos materiaal, dat u vooraf hebt klaargelegd. U kunt aan het materiaal zelf steeds een specifieke opdracht koppelen. En… probeer ook eens andere materialen te verzamelen dan alleen maar doosjes en wc-rolletjes.
Naar aanleiding van deze les kunt u de kinderen iets van thuis laten meenemen, dat iemand bijna had weggegooid. Het kind vertelt wat er met het meegebrachte voorwerp nog gedaan kan worden. De andere kinderen kunnen aanvullingen geven. Laat het kind daarna samen met een klasgenootje een tekening maken van het meegebrachte voorwerp, maar dan op een andere manier gebruikt dan oorspronkelijk de bedoeling was.

• Presentatie in de klas
In de klas zet u alle gemaakte “kunstwerkjes” als een soort tentoonstelling neer. De voorwerpen die kinderen van thuis hebben meegebracht, geeft u samen met de gemaakte tekeningen een mooi plekje in de klas.

9 En wat doe jij?

Opdracht met een microfoon (een echte of een speelgoedmicrofoon)

• Werkwijze
De kinderen ervaren bij deze opdracht dat ook volwassenen nog veel kunnen veranderen in hun manier van omgaan met (en het zorgen voor) de aarde. Ze leren, dat ze kritisch naar zichzelf, maar ook naar anderen mogen kijken.
De kinderen zijn zelf erg druk bezig geweest met allerlei manieren om te leren over de aarde en de natuur. Ze hebben gezien hoe ze er goed voor kunnen zorgen. Nu mogen ze aan andere mensen vragen wat die eraan doen. Daarvoor kunt u kaartjes maken, met eenvoudige vragen erop. De vragen kunt u samen met de kinderen bedenken. Voor de jongste kinderen is het handig om er een symbool bij te zetten, zodat ze kunnen onthouden welke vraag op welk kaartje staat.
U kunt iemand in de klas uitnodigen en kinderen hun eigen vraag aan die persoon laten stellen. Een meester, een juf, een vader of een moeder voelt redelijk veilig. Maar het uitnodigen van bijvoorbeeld de burgemeester is natuurlijk een stuk spannender! De kinderen kunnen dan meteen laten zien waar ze mee bezig zijn geweest.
Ik noem een aantal vragen, die gesteld kunnen worden:
– Vindt u de aarde mooi?
– Hebt u buiten wel eens rommel van iemand anders opgeruimd?
– Wat doet u voor goeds voor de aarde?
– Wat doet u wel eens verkeerd in het zorgen voor de aarde? Enzovoort.
Na het beantwoorden van de vragen wordt er samen met de kinderen bedacht hoe het beter kan.

• Presentatie in de klas
De kaartjes met vragen worden opgehangen of op een opvallende plek neergelegd. Kinderen kunnen zo hun eigen ouders de vragen stellen, die op de kaartjes staan. En wellicht zet het nog heel wat ouders aan het denken ook!

10 Het logo

Opdracht met een deel van het logo

• Werkwijze
Als laatste moet er een logo worden ontworpen en gemaakt. Elke bouw maakt eenderde deel van het logo. En die drie deellogo’s vormen dan samen het totale logo voor de minister van Aarde, Mens & Winst (AM&W). Dus de onderbouw maakt een deel, de middenbouw maakt een deel en de bovenbouw ook. Samengevoegd ontstaat dan het complete logo!
De kinderen bedenken wat er in het logo moet komen. Van de negen opdrachten die al uitgevoerd zijn, zijn in de klas de resultaten te zien. U geeft de kinderen ongeveer drie minuten de tijd om (zonder te praten) bij al die resultaten te kijken. Geef ze daarbij de opdracht om na te denken over wat ze belangrijk vinden. Wat is er belangrijk genoeg om in het logo van de minister van AM&W te zetten? Wat willen we de minister van AM&W laten zien van wat we geleerd en gedaan hebben?
Als iedereen weer op de stoel zit, mogen de kinderen iets noemen waarvan zij vinden dat het in het logo moet worden opgenomen. Ze geven daar zo mogelijk ook een motivatie bij. Met elkaar bedenken de kinderen hoe het logo eruit moet komen te zien. U kunt daar uiteraard in sturen. Tot slot kiest u een paar kinderen uit, die met elkaar het logo mogen gaan maken.

Eindpresentatie

• Aan het eind van de projectweken presenteren de kinderen van de verschillende bouwen aan elkaar wat ze gedaan hebben in de klas. Daarin moet vooral naar voren komen wat ze geleerd hebben over hun eigen onderwerp. De informatie die ze voor de nieuwe minister belangrijk vinden, geven ze ook door aan de andere kinderen van de school.

• Bij de centrale eindpresentatie kunt u veel materialen gebruiken, die tijdens de lessen in de klas zijn gemaakt. Als de presentatie in de vorm van een tentoonstelling wordt gehouden in de lokalen, dan kunt u alles in uw lokaal laten staan en/of hangen, zoals alles ook aan het eind van elke opdracht was tentoongesteld. Laat kinderen van uw groep bij de diverse onderdelen staan en laat ze vertellen en uitleggen aan de andere kinderen van de school wat ze gedaan hebben en wat ze ervan hebben geleerd.

• Wanneer de school ervoor kiest om de eindpresentatie in de vorm van een voorstelling te houden, dan kunt u óók gebruik maken van de materialen, die al gemaakt zijn. U kunt bijvoorbeeld steeds een paar kinderen uitkiezen, die iets vertellen over de opdracht die ze gemaakt hebben, terwijl de resultaten getoond worden.
Bij de voorstelling kunnen de kinderen verder liedjes zingen, die met het thema te maken hebben. In de meeste liedbundels zijn veel liedjes over de natuur te vinden. Maar natuurlijk kunt u ook zélf een eenvoudig lied, versje of toneelstukje maken, naar aanleiding van een van de opdrachten. Ik geef u een voorbeeld:
– Bij de opdracht Houd de aarde schoon! (opdracht 6) kunt u de gemaakte afvalberg laten zien.
– De kinderen kunnen in een eenvoudig toneelstukje papier en rommel uit de natuur opruimen en op de afvalberg gooien.
– Daarbij kan dan het liedje De berg wordt hoe langer hoe groter worden gezongen. Aan de andere kant zingen kinderen: “Het plein wordt hoe langer hoe schoner.” Beide liedjes kunnen op de eenvoudige wijs van De boom wordt hoe langer hoe dikker gezongen worden.

• Tot slot wordt het gemaakte logo gepresenteerd. Samen met de andere twee delen (die dus gemaakt zijn in de middenbouw en de bovenbouw) is de cirkel weer rond. De minister kan aan de slag!

Ik wens u en de kinderen veel plezier en succes met het werken aan dit schoolbrede project!